Wat eist artikel 4 precies?
Artikel 4 is het kortste verplichtende artikel van de EU AI Act en tegelijk het meest onderschatte. De kern: aanbieders en gebruikers van AI-systemen nemen maatregelen om te zorgen dat hun personeel, en iedereen die namens hen met AI-systemen werkt, voldoende AI-geletterd is. De wet geldt op dit punt al sinds 2 februari 2025. Er is geen overgangstermijn meer om op te wachten.
Wat „voldoende" betekent, hangt volgens de wettekst af van technische kennis, ervaring, opleiding en de context waarin het systeem wordt gebruikt. Ook telt mee wie er door de uitkomsten worden geraakt. Een recruiter die een kandidatenranking beoordeelt heeft ander begrip nodig dan een marketingmedewerker die teksten laat herschrijven.
De definitie in artikel 3, punt 56 is breder dan „weten hoe de tool werkt". AI-geletterdheid omvat de vaardigheden en het begrip om AI-systemen geïnformeerd in te zetten, en om kansen én risico's te herkennen, inclusief mogelijke schade voor de mensen op wie het systeem wordt toegepast.
Waarom dit artikel zwaarder weegt dan het lijkt
Op het eerste gezicht oogt artikel 4 als een inspanningsverplichting zonder tanden. Artikel 99 hangt er inderdaad geen eigen boetecategorie aan. Wie daaruit concludeert dat het kan wachten, mist twee dingen.
Ten eerste is geletterdheid de fundering onder verplichtingen die wél zwaar beboet worden. Het menselijk toezicht van artikel 14 werkt alleen als de toezichthoudende mens het systeem kan lezen, wantrouwen en corrigeren. Een gebruiker die onder artikel 26 hoog-risico-AI inzet, moet dat toezicht opdragen aan mensen met de nodige competentie, opleiding en autoriteit. Zo staat het er letterlijk. Zonder aantoonbare geletterdheid zakt die hele constructie door het ijs.
Ten tweede kijkt een toezichthouder bij een incident terug. Als een AI-gestuurde beslissing schade veroorzaakt en blijkt dat niemand die met het systeem werkte ooit uitleg of instructie kreeg, is dat geen detail in het dossier. Het is het dossier.
Een rolgebaseerde aanpak in vier niveaus
Eén generieke e-learning voor iedereen voldoet niet aan de maatstaf van artikel 4, want die maatstaf is juist differentiatie. In de praktijk werk ik met vier niveaus, gekoppeld aan het AI-register van de organisatie.
Niveau 1: bedieners van hoog-risicosystemen. De recruiter met de CV-screener, de beoordelaar met het fraudedetectiesysteem. Zij moeten weten wat het systeem doet en wat niet, welke signalen op een fout wijzen, hoe ze een uitkomst verwerpen en waar ze dat vastleggen. Dit niveau vraagt om systeemspecifieke instructie, niet om een algemeen AI-college.
Niveau 2: vaste gebruikers van overige AI. Medewerkers die dagelijks met generatieve tools of AI-functies in software werken. Zij moeten de grenzen kennen: wat mag er wel en niet in een prompt, hoe herken je een verzonnen bron, wanneer is een uitkomst een concept en wanneer een besluit.
Niveau 3: beslissers en inkopers. MT-leden en inkopers die AI-systemen selecteren of erover verantwoording afleggen. Zij hoeven geen systemen te bedienen, maar moeten risicoklassen kunnen plaatsen, de rolverdeling tussen aanbieder en gebruiker begrijpen en de juiste vragen aan leveranciers stellen.
Niveau 4: incidentele gebruikers. Iedereen die af en toe een AI-functie aanraakt. Voor hen volstaat een korte, heldere werkinstructie plus de huisregels.
De koppeling met het AI-register is wat dit werkbaar maakt. Per systeem in het register staat wie ermee werkt, en per rol staat welk niveau hoort bij dat systeem. Nieuwe tool in het register betekent automatisch de vraag: wie gaat hiermee werken en wat moeten die mensen weten.
Wat u vastlegt als bewijs
Artikel 4 vraagt niet om een diploma-archief. Het vraagt dat u kunt laten zien dat u het geregeld heeft. Vier dingen volstaan in de meeste organisaties:
- Wie. Per AI-systeem de rollen en personen die ermee werken, inclusief externe inhuur.
- Wat. Per rol het vereiste kennisniveau en de vorm waarin dat is aangeboden: instructie, training, werksessie of documentatie.
- Wanneer. De datum per persoon of per groep, plus het afgesproken herhaalmoment bij nieuwe systemen of wezenlijke wijzigingen.
- Hoe geborgd. Wie eigenaar is van dit overzicht en hoe nieuwe medewerkers erin terechtkomen, bijvoorbeeld via onboarding.
Een spreadsheet met deze vier kolommen is al oneindig veel sterker dan de situatie die ik het vaakst aantref: goede intenties, nul vastlegging.
De drie fouten die ik het vaakst zie
De eerste fout is wachten op december 2027. De hoog-risicoverplichtingen kregen uitstel tot 2 december 2027, artikel 4 niet. Die plicht loopt al sinds februari 2025.
De tweede fout is geletterdheid gelijkstellen aan een jaarlijkse awareness-sessie. Een uur slides over „wat is AI" dekt niveau 4, en verder niets. De recruiter die dagelijks een ranking beoordeelt heeft daar niets aan gehad.
De derde fout is het bewijs vergeten. Organisaties die wél trainen, leggen zelden vast wie wat wanneer kreeg. Bij een vraag van een toezichthouder of een auditerende klant begint dan alsnog de reconstructie achteraf.
Waar dit in een traject thuishoort
In de Nulmeting brengen wij per AI-systeem in kaart wie ermee werkt en welk kennisniveau daarbij hoort. De AI-geletterdheidstraining zelf zit in de dienst Begeleide uitvoering, afgestemd op de systemen die er werkelijk draaien in plaats van een standaardpakket. Wat een directie verder nu moet regelen, staat in Wat moet ik als directie over de EU AI Act weten?